Belangrijk: De licentie upgrade naar CC by-sa 3.0 is goedgekeurd. Beschouw van af nu uw bijdragen als gedaan onder die licentie!
Taalgids Engels
Van Wikitravel
Inhoud
| Dit artikel is een gids-artikel. Het is in wezen compleet en bruikbaar voor de gemiddelde reiziger. Er zijn nog een aantal imperfecties, dit artikel kan een sterartikel worden, door erin te duiken en het uit te breiden! |
[bewerken] Algemene informatie
Engels (English) is een West-Germaanse taal die is ontstaan in Angelsaksisch Engeland, en die nu in feite de lingua franca is in grote delen van de wereld, als resultaat van de militaire, economische, culturele, wetenschappelijke en politieke invloed van het Britse rijk gedurende de 18e, 19e en begin 20e eeuw en de invloed van de Verenigde Staten vanaf het begin van de 20e eeuw tot op heden. Het Engels wordt uitgebreid gebruikt als een tweede taal of als officiële in het Gemenebest en is de voorkeurstaal van vele internationale organisaties. Daarom kan de taal nuttig zijn voor de wereldreiziger, ook in landen waar Engels niet de officiële taal is. Zeker in de westerse wereld kan men tegenwoordig in zowat ieder land met Engels terecht.
Engels is de officiële taal van onder andere Australië, Belize, Nieuw-Zeeland en Nigeria, en één van de officiële talen van onder andere Canada, Ierland en Zuid-Afrika. Engels fungeert de facto als officiële taal van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Het Engels wordt door veel mensen als tweede taal gesproken. Als men de eerste- en tweedetaalsprekers bij elkaar optelt, is het zelfs de meest gebruikte taal ter wereld. Beschouwt men alleen eerstetaalsprekers, dan wordt het Engels nog overtroffen door het Mandarijn en het Spaans. De taal fungeert als lingua franca bij de communicatie in wetenschap, techniek en het internationale politieke en economische verkeer over de gehele wereld.
Het Engels heeft een zeer grote woordenschat, dit komt vooral doordat er vaak twee woorden zijn voor één woord: een Germaans en een Romaans (bijvoorbeeld 'freedom' en 'liberty' betekenen beide 'vrijheid'). Het verschil in gebruik wordt grotendeels bepaald door het register: de Germaanse woorden worden bij voorkeur in het dagelijks leven gebruikt, de Romaanse synoniemen in officiële geschreven taal. Het totaal aantal woorden in de Engelse taal is onderwerp van discussie, maar volgens de Oxford Dictionary zijn het er minimaal 500.000.
Het Nederlands heeft ook een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het Engels, vooral in woorden die te maken hebben met de scheepvaart. Enkele redelijk gangbare Engelse (vaak Amerikaanse) woorden met een Nederlandse oorsprong zijn: cookie (koekje), cruise (doorkruisen), dike (dijk), Santa Claus (van Sinterklaas), waffle (wafel) bourse (beurs) en yacht (jacht (boot))
[bewerken] Geschiedenis
Oorspronkelijk is het Engels ontstaan uit vele dialecten (Oudengels), die naar Engeland werden overgebracht door de Angelsaksische kolonisten, beginnend in de 5e eeuw. De taal werd sterk beïnvloed door de Oud-Noorse taal van de Vikingen. Na de Normandische verovering van Engeland in 1066, ontwikkelde Oudengels zich tot Middelengels. Onderdeel van die verandering was het grote gebruik van leenwoorden uit de Normandische woordenschat en het gebruik van Normandische spellingsregels. Het hedendaagse Engels ontwikkelde zich daaruit, en ging door met het opnemen van buitenlandse woorden, met name uit het Latijn en Grieks. Het nam ook leenwoorden over uit Indische talen.
De grammaticale structuur van het Engels is dus nog steeds overwegend Germaans op enkele aan de Romaanse talen ontleende zinsconstructies na, maar van de totale Engelse woordenschat is veel (ca. 60%) ontleend aan het Frans en Latijn. Men noemt het Engels daarom soms ook wel een brugtaal tussen de wereld van de Germaanse en die van de Romaanse talen.
Het Engels wordt doorgaans als volgt geperiodiseerd:
- Oudengels, 7e en 8e eeuw, ook bekend als Angelsaksisch, geattesteerd in Beowulf.
- Middelengels, 12e-15e eeuw, invloed vanuit het Normandisch (een Frans dialect) na de slag bij Hastings.
- Nieuw-Engels, 16e eeuw tot heden.
[bewerken] Uitspraak
Het Engels heeft een zeer diepe orthografie, dat wil zeggen er is weinig verband tussen uitspraak en schrijfwijze. 40 klanken worden op 1120 verschillende wijzen geschreven. Volgens onderzoeker Eraldo Paulesu van de Milaanse universiteit is dit er de oorzaak van, dat in Engelstalige landen tweemaal zoveel dyslexie-diagnoses worden gesteld als in Italië. In het Italiaans worden 25 klanken op slechts 33 verschillende wijzen geschreven.
De uitspraak van de Engelse "th"-klank is voor Nederlandstaligen waarschijnlijk het moeilijkst na te bootsen. In deze vereenvoudigde transcriptie, geven we de "th" af en toe met "SS" of "S" weer, die echter slechts gedeeltelijk vergelijkbaar zijn. Het is aanbevolen dat u de echte "th"-klank op voorhand of ter plaatse oefent om de juiste uitspraak te bekomen. Soms moet je de voorkeur geven om de "th"-klank als "d" uit te spreken omdat dat het dichtst in de buurt van de uitspraak komt van personen die het Engels niet als moedertaal spreken, zoals bijvoorbeeld immigranten.
j
wordt meer uitgesproken als 'DSCH'
s
is altijd een scherpe 'S'.
[bewerken] Korte zinnen en uitdrukkingen
Een overzicht van de belangrijkste zinnen en uitdrukkingen. De volgorde is gebaseerd op de vermoedelijke frequentie van het gebruik ervan.
- Goeiedag
- Hello. (HE-llo)
- Hallo (informeel)
- Hi. (HAI)
- Hoe gaat het met je?
- How are you? (Hau ahr juh?)
- Goed, dank u.
- Fine, thank you. (FAIN, ssenk juh)
- Hoet heet je?
- What is your name? (WOT is juhr NEEM?)
- Mijn naam is______ .
- My name is ______ . (Mai NEEM is _____ .)
- Aangename kennismaking.
- Nice to meet you. (NAISS tu miet JUH)
- Alstublieft
- Please. (Plies)
- Bedankt
- Thank you. (SSENK juh)
- Ja
- Yes. (YESS)
- Nee
- No. (NOH)
- Excuseer.
- Excuse me. (Ex-Kjuhs mie) / I'm sorry. (Eim SSO-rie)
- Tot ziens
- Goodbye. (GOED-bei.)
- Ik spreek geen Engels
- I can't speak English. (AI kahnt spiek ING-lisch)
- Spreekt u Nederlands?
- Do you speak Dutch? (duh JOEH spiek DUTSJ?)
- Spreekt hier iemand Nederlands?
- Is there someone here who speaks Dutch? (ISS sehr SSAM-wan hier hoeh spieks Dutsj?)
- Help!
- Help! (HELP!)
- Voorzichtig!
- Look out! (loeck AUT!)
- Goeiemorgen
- Good morning. (gud MORN-ing)
- Goeienavond
- Good evening. (gud IEF(E)-ning)
- Goeienacht.
- Good night. (gud NAID)
- Slaapwel
- Good night. (gud NAID)
- Ik begrijp het niet
- I don't understand. (Ai dohnt ANN-der-STEND)
- Waar is de WC?
- Where is the toilet? (WEHR iss se TOY-lett?)
[bewerken] Bij problemen
- Laat me met rust.
- Leave me alone. (LIEF mie ALOHN)
- Raak me niet aan!
- Don't touch me! (DOHNT tatsch mie!)
- Ik bel de politie.
- I'll call the police. (Eil KOL se poh-LIES)
- Politie!
- Police! (poh-LIES)
- Stop de dief!
- Stop! Thief! (stop! SSief!)
- Ik heb hulp nodig.
- I need your help. (Ai NIED juhr HELP)
- Dit is een noodgeval.
- It's an emergency. (itz een i-MUR-dschenn-ssi)
- Ik ben verdwaald.
- I'm lost. (Eim LOST)
- Ik ben mijn (rug)zak verloren.
- I lost my bag. (Ai lost mai behg)
- Ik ben mijn portefeuille verloren.
- I lost my wallet. (Ai lost mai WOLLet)
- Ik ben ziek.
- I'm sick. (Eim SICK.)
- Ik ben gewond.
- I've been injured. (Aif bihn in-DSCHUR't.)
- Ik heb een dokter nodig.
- I need a doctor. (Ai NIED a DOCK-ter)
- Mag ik je telefoon gebruiken?
- Can I use your phone? (Kenn ai juhs juhr FOHNN?)
[bewerken] Tellen
- 1
- one (wann)
- 2
- two (tuh)
- 3
- three (SSrieh)
- 4
- four (fohr)
- 5
- five (feihf)
- 6
- six (six)
- 7
- seven (sewen)
- 8
- eight (ait)
- 9
- nine (nein)
- 10
- ten (tenn)
- 11
- eleven (iLEWen)
- 12
- twelve (twehlw)
- 13
- thirteen (SSuRtien)
- 14
- fourteen (FOHRtien)
- 15
- fifteen (FIFFtien)
- 16
- sixteen (SIXtien)
- 17
- seventeen (SEWENtien)
- 18
- eighteen (AITtien)
- 19
- nineteen (NEINtien)
- 20
- twenty (twentie)
- 21
- twenty one (twentieWANN)
- 22
- twenty two (twentieTUH)
- 23
- twenty three (twentieSSRIEH)
- 30
- thirty (SSurtie)
- 40
- forty (fohrtie)
- 50
- fifty (fifftie)
- 60
- sixty (sixtie)
- 70
- seventy (sewentie)
- 80
- eighty (aitie)
- 90
- ninety (naintie)
- 100
- one hundred (WANN hanndrud)
- 200
- two hundred (TUH hanndrud)
- 300
- three hundred (SSRIEH hanndrud)
- 1000
- one thousand (WANN SSAUsund)
- 2000
- two thousand (TUH SSAUsund)
- 1,000,000
- one million (WANN mill-jenn)
- 1,000,000,000
- one thousand million in het Verenigd Koninkrijk (WANN SSAUsund mill-jenn), one billion (WANN bill-jenn) in de Verenigde Staten
- 1,000,000,000,000
- one billion (WANN bill-jenn) in het VK, one trillion (WANN trill-jenn) in de USA
- Line _____ (Trein, Bus, enz...)
- number _____ (Nummbar) : route _____ (rawt)
- Halte
- half (hahf)
- Minder
- less (less)
- Meer
- more (mohr)
[bewerken] Tijdsaanduiding
- nu
- now (nau)
- later
- later (leey-ter)
- eerder
- before (bi-for)
- (de) ochtend
- morning (morning)
- namiddag
- afternoon (afternuhn)
- avond
- evening (iwening)
- nacht
- night (neit)
- vandaag
- today (tuh-dey)
- gisteren
- yesterday (jesster-dey)
- morgen
- tomorrow (tuh-morro)
- deze week
- this week (SSis wiek)
- vorige week
- last week (lahst wiek)
- volgende week
- next week (next wiek)
- één uur 's nachts
- one o'clock AM (...)
- twee uur 's nachts
- two o'clock AM (...)
- middag
- noon (noehn)
- één uur in de namiddag
- one o'clock PM (...)
- twee uur in de namiddag
- two o'clock PM (...)
- middernacht
- midnight (mitneit)
- halfnegen
- half past eight (...)
- _____ minu(u)t(en)
- _____ minute(s) (...)
- _____ u(u)r(en)
- _____ hour(s) (...)
- _____ dag(en)
- _____ day(s) (...)
- _____ week(en)
- _____ week(s) (...)
- _____ maand(en)
- _____ month(s) (...)
- _____ jaar(en)
- _____ year(s) (...)
[bewerken] Dagen
- zondag
- Sunday (...)
- maandag
- Monday (...)
- dinsdag
- Tuesday (...)
- woensdag
- Wednesday (...)
- donderdag
- Thursday (...)
- vrijdag
- Friday (...)
- zaterdag
- Saturday (...)
[bewerken] Maanden
- januari
- January (...)
- februari
- February (...)
- maart
- March (...)
- april
- April (...)
- mei
- May (...)
- juni
- June (...)
- juli
- July (...)
- augustus
- August (...)
- september
- September (...)
- oktober
- October (...)
- november
- November (...)
- december
- December (...)
[bewerken] Kleuren
- zwart
- black (...)
- wit
- white (...)
- grijs ; rot
- red (...)
- blauw
- blue (...)
- geel
- yellow (...)
- groen
- green (...)
- oranje
- orange (...)
- paars
- purple (...)
- bruin
- brown (...)
[bewerken] Verkeer
[bewerken] Trein en bus
- Hoeveel kost een ticket naar _____?
- How much is a ticket to _____? (...)
- Een ticket naar _____, alstublieft.
- One ticket to _____, please. (...)
- Waar gaat deze trein/bus naartoe?
- Where does this train/bus go? (...)
- Stopt deze trein/bus in _____?
- Does this train/bus stop in _____? (...)
- Wanneer rijdt de trein/bus naar_____ ?
- When does the train/bus for _____ leave? (...)
- Wanneer zal deze tein/bus in _____aankomen?
- When will this train/bus arrive in _____? (...)
[bewerken] Richting
- Hoe kom ik _____ ?
- How do I get to _____ ? (...)
- ...het treinstation?
- ...the train station? (...)
- ...de bushalte?
- ...the bus station? (...)
- ...de luchthaven?
- ...the airport? (...)
- ...het stadscentrum?
- ...downtown? (...)
- ...de jeugdherberg?
- ...the youth hostel? (...)
- ...het_____ hotel?
- ...the _____ hotel? (...)
- ...het Nederlandse/Belgische/Surinaamse consulaat?
- ...the Dutch/Belgian/Surinamese consulate? (...)
- Waar zijn er veel...
- Where are there a lot of... (...)
- ...hotels?
- ...hotels? (...)
- ...restaurants?
- ...restaurants? (...)
- ...bars?
- ...bars? (...)
- ...bezienswaardigheden?
- ...sights to see? (...)
- Kunt u dit even op de kaart tonen?
- Can you show me on the map? (...)
- Straat
- street (...)
- Naar links draaien.
- Turn left. (...)
- Naar rechts draaien.
- Turn right. (...)
- links
- left (...)
- rechts
- right (...)
- rechtdoor
- straight ahead (...)
- volgen _____
- towards the _____ (...)
- naast de_____
- past the _____ (...)
- voor de _____
- before the _____ (...)
- noorden
- north (...)
- zuiden
- south (...)
- oosten
- east (...)
- westen
- west (...)
- bergop
- uphill (...)
- bergaf
- downhill (...)
[bewerken] Taxi
- Taxi!
- Taxi! (...)
- Breng me naar _____, alstublieft.
- Take me to _____, please. (...)
- Hoeveel kost het om naar _____te rijden?
- How much does it cost to get to _____? (...)
- Breng me naar daar, alstublieft.
- Take me there, please. (...)
[bewerken] Slapen
- Zijn er nog kamers beschikbaar?
- Do you have any rooms available? (...)
- Hoeveel kost een kamer voor één persoon/twee personen?
- How much is a room for one person/two people? (...)
- Heeft de kamer...
- Does the room come with... (...)
- ...een badkamer?
- ...a bathroom? (...)
- ...een Telefoon?
- ...a telephone? (...)
- ...een TV?
- ...a TV? (...)
- Mag ik de kamer eerst even zien?
- May I see the room first? (...)
- Hebt u ook iets rustiger?
- Do you have anything quieter? (...)
- ...groter?
- ...bigger? (...)
- ...schoner?
- ...cleaner? (...)
- ...goedkopers?
- ...cheaper? (...)
- OK, ik neem ze.
- OK, I'll take it. (...)
- Ik blijf _____ nacht/nachten.
- I will stay for _____ night(s). (...)
- Kunt u mij een ander hotel aanbevelen?
- Can you suggest another hotel? (...)
- Heeft u een kluis/safe?
- Do you have a safe? (...)
- ...kastjes?
- ...lockers? (...)
- Is het ontbijt inbegrepen?
- Is breakfast included? (...)
- Om hoe laat is het ontbijt?
- What time is breakfast? (...)
- Reinig de kamer, alstublieft.
- Please clean my room. (...)
- Kunt u me wekken om _____?
- Can you wake me at _____? (...)
- Ik wil uitchecken.
- I want to check out. (...)
[bewerken] Geld
- Accepteert u Euro's?
- Do you accept Euros? (JU-rohs)
- Accepteert u kredietkaarten?
- Do you accept credit cards? (...)
- Kunt u geld voor mij wisselen?
- Can you change money for me? (...)
- Waar kan ik geld wisselen?
- Where can I get money changed? (...)
- Kunt u traveler checques wisselen?
- Can you change a traveler's check (USA)/cheque (UK) for me? (...)
- Waar kan ik traveler checques wisselen?
- Where can I get a traveler's check changed? (...)
- Wat is de wisselkoers?
- What is the exchange rate? (...)
- Waar is er een geldautomaat?
- Where is an automatic teller machine (ATM) (Amerik.) / cash dispenser (Brit.)? (...)
[bewerken] Eten
- Een tafel voor één persoon/twee personen, alstublieft.
- A table for one person/two people, please. (...)
- Mogen we de kaart, alstublieft?
- Can I look at the menu, please? (...)
- Mogen we de keuken zien?
- Can I look in the kitchen? (...)
- Wat is de specialiteit van het huis?
- Is there a house specialty? (...)
- Is er een streekgerecht?
- Is there a local specialty? (...)
- Ik ben vegetariër.
- I'm a vegetarian. (...)
- Ik eet geen varkensvlees.
- I don't eat pork. (...)
- Ik eet geen rundsvlees.
- I don't eat beef. (...)
- Ik mag alleen koosjer eten.
- I only eat kosher food. (...)
- a la carte
- a la carte (...)
- ontbijt
- breakfast (...)
- lunch
- lunch (...)
- thee
- tea (...)
- avondmaal, diner
- supper (...)Amerikaans = Dinner
- Ik zou graag _____willen.
- I would like _____. (...)
- kip
- chicken (...)
- rund
- beef (...)
- vis
- fish (...)
- ham
- ham (...)
- worst
- sausage (...)
- kaase
- cheese (...)
- eieren
- eggs (...)
- salade
- salad (...)
- (verse) groenten
- (fresh) vegetables (...)
- (vers) fruit
- (fresh) fruit (...)
- brood
- bread (...)
- Toast
- toast (...)
- noedels
- noodles (...)
- pasta
- pasta (...)
- rijst
- rice (...)
- bonen
- beans (...)
- Mag ik een glas _____?
- May I have a glass of _____? (...)
- Mag ik een kopje _____?
- May I have a cup of _____? (...)
- Mag ik een fles _____?
- May I have a bottle of _____? (...)
- koffie
- coffee (...)
- thee
- tea (...)
- sap
- juice (...)
- water
- water (...)
- bier
- beer (...)
- rode/witte wijn
- red/white wine (...)
- Mag ik het/de _____?
- May I have some _____? (...)
- zout
- salt (...)
- (zwarte) peper
- black pepper (...)
- boter
- butter (...)
- ober? (getting attention of server)
- Excuse me, waiter? (...)
- Ik ben klaar.
- I'm finished. (...)
- Het was heerlijk.
- It was delicious. (...)
- De rekening, alstublieft.
- The check, please. (...) (Am.)/ The bill, please/Can we pay, please (Brits)
[bewerken] Uitgaan
- Schenkt u alcohol?
- Do you serve alcohol? (...)
- Een biertje/twee biertjes, alstublieft
- A beer/two beers, please. (...)
- Een glas rode/witte wijn, alstublieft.
- A glass of red/white wine, please. (...)
- Een glas, alstublieft.
- A glass, please. (...)
- Een halve liter, alstublieft.
- A pint, please. (...)
- Een fles, alstublieft.
- A bottle, please. (...)
- whisky
- whisk(e)y (...)
- vodka
- vodka (...)
- rum
- rum (...)
- water
- water (...)
- sinaasappelsap
- orange juice (...)
- cola
- Coke (...)
- Nog eentje, alstublieft.
- One more, please. (...)
- Nog een rondje, alstublieft.
- Another round, please. (...)
- Wanneer is het sluitingsuur?
- When is closing time? (...)
[bewerken] Kopen
- Hebt u dit ook in mijn maat?
- Do you have this in my size? (...)
- Hoeveel kost dat?
- How much is this? (...)
- Dat is te duur.
- That's too expensive. (...)
- duur
- expensive (...)
- goedkoop
- cheap (...)
- Dat kan ik mij niet veroorloven.
- I can't afford it. (...)
- Ik wil het niet.
- I don't want it. (...)
- U bedriegt me.
- You're cheating me. (...)
- Ik ben niet geinteresseerd
- I'm not interested. (..)
- OK, ik neem het.
- OK, I'll take it. (...)
- Ik heb... nodig
- I need... (...)
- ...tandpasta.
- ...toothpaste. (...)
- ...een tandenborstel.
- ...a toothbrush. (...)
- ...tampons.
- ...tampons. (...)
- ...zeep.
- ...soap. (...)
- ...shampoo.
- ...shampoo. (...)
- ...een scheerapparaat.
- ...a razor. (...)
- ...een regenscherm/paraplu.
- ...an umbrella. (...)
- ...zonnemelk.
- ...sun(block) lotion. (...)
- ...een postkaart.
- ...a postcard. (...)
- ...postzegels.
- ...(postage) stamps. (...)
- ...batterijen.
- ...batteries. (...)
- ...schrijfpapier.
- ...writing paper. (...)
- ...een pen.
- ...a pen. (...)
- ...een Nederlandstalig tijdschrift.
- ...Dutch-language magazines. (...)
- ...een Nederlandstalige krant.
- ...a Dutch-language newspaper. (...)
- ...een Engels-X woordenboek.
- ...an English-X dictionary. (...)
[bewerken] Rijden
- Kan ik een auto huren?
- Can I rent a car? (ken aai rent uh kah)
- Kan ik een verzekering afsluiten?
- Can I get insurance? (ken aai get in-SJOE-runs)
- STOP
- stop (stop)
- eénrichtingsstraat
- one way (WAN weej)
- parkeerverbod
- no parking (NOOW PAR-king)
- snelheidslimiet
- speed limit (spiet LI-mit)
- tankstation
- gas station (USA)/service station, filling station, petrol station (UK) (ges stee-SJUN / SUR-vis stee-SJUN, FIL-ing stee-SJUN, PEH-trol stee-SJUN)
- benzine
- petrol (UK)/gas, gasoline (USA) (PEH-trol, ges, GES-o-lien)
- diesel
- diesel (diezel)
[bewerken] Extra
- Ik heb niets verkeerds gedaan.
- I haven't done anything wrong. (...)
- Het was een misverstand.
- It was a misunderstanding. (...)
- Waar brengt u me heen?
- Where are you taking me? (...)
- Ben ik gearresteerd?
- Am I under arrest? (...)
- Ik ben een Nederlands/Belgisch/Surinaams staatsburger.
- I am a Dutch/Belgian/Surinamese citizen. (...)
- Ik wil een advocaat spreken.
- I want to talk to a lawyer. (...)
- Kan ik nu niet gewoon een boete betalen?
- Can't I just pay a fine now? (...)
[bewerken] Externe links
[bewerken] Referenties
- 1. The world-wide expansion of the English language
- 2. Global English: gift or curse?
- 3. David Graddol (1997). The Future of English?. The British Council.
- 4. The triumph of English. The Economist (20 december 2001).
- 5. Lecture 7: World-Wide English. eHistLing.

