Doe mee en deel je reiskennis!

Taalgids Duits

Uit Wikitravel
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit artikel is een ster-artikel, zeer compleet en geschreven volgens het Wikitravel-stijlhandboek , help het actueel houden door erin te duiken en het uit te breiden!

Inhoud

Algemene informatie[bewerken]

Duits (Deutsch) is de officiële en belangrijkste taal in Duitsland, Oostenrijk en Liechtenstein. Het is ook een officiële taal in Zwitserland, België en Luxemburg en wordt verder nog gesproken als minderheidstaal in Namibië. Bovendien wordt Duits gesproken in de Franse regio's Elzas (Duits: Elsass) en Lotharingen (Duits: Lothringen), in de Noord-Italiaanse provincie Zuid-Tirol (Duits: Südtirol, Italiaans: Alto Adige of Sudtirolo), en in Zuid-Denemarken. Standaard-Duits (Hoogduits) wordt door velen als tweede taal gesproken in veel landen in Oost- en Centraal-Europa.

Kleine aantallen van Duitse moedertaalsprekers zijn te vinden in Polen, de Tsjechië, Slowakije, Hongarije en Roemenië. Dit is te wijten aan de historische invloed van Oostenrijk - het vroegere Oostenrijkse keizerrijk, en Duitsland over het grensgebied en de ingrijpende veranderingen ingevoerd in Europa na de Eerste Wereldoorlog. Bovendien zijn kleine geïsoleerde gemeenschappen te vinden in Rusland, de Centraal-Aziatische republieken, Australië en in Noord- en Zuid-Amerika.

Grammatica en dialecten[bewerken]

Grammatica[bewerken]

Het Duits kent vier naamvallen:

  1. de nominatief: het onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde
  2. de genitief: uitdrukken van de bezitter en aanvulling bij werkwoorden/voorzetsels
  3. de datief: het meewerkend voorwerp en aanvulling bij werkwoorden/(keuze)voorzetsels
  4. de accusatief: het lijdend voorwerp en aanvulling bij werkwoorden/(keuze)voorzetsels

Bij de keuzevoorzetsels is de datief voor de plaats en het tijdstip en de accusatief voor de richting. Als het om geen van beide gaat wordt altijd de datief gekozen, behalve bij auf en über.

Verbuiging van lidwoorden (der- en ein-groep):

Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
Nominatief der Wein die Suppe das Brot die Eier
ein Wein eine Suppe ein Brot keine Eier
Genitief des Weines der Suppe des Brotes der Eier
eines Weines einer Suppe eines Brotes keiner Eier
Datief dem Wein der Suppe dem Brot den Eiern
einem Wein einer Suppe einem Brot keinen Eiern
Accusatief den Wein die Suppe das Brot die Eier
einen Wein eine Suppe ein Brot keine Eier

Het bijvoeglijk naamwoord krijgt dezelfde eindletter als het bepaald lidwoord volgens deze tabel. De uitgang van het bijvoeglijk naamwoord is dan -e, -er, -em, -en of -es. Een uitzondering geldt als er reeds een lidwoord of voornaamwoord met een naamvalsuitgang is, dat zijn in de tabel hierboven de lidwoorden die geen gele achtergrond hebben. In dat uitzonderingsgeval krijgt het bijvoeglijk naamwoord een vereenvoudigde uitgang, en wel als volgt:

Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
Nominatief -e -e -e -en
Genitief -en -en -en -en
Datief -en -en -en -en
Accusatief -en -e -e -en

Het vervoegen van Duitse werkwoorden gaat op deze manier:

Wohnen Uitgang
ich wohne e
du wohnst st
er, es, sie wohnt t
wir wohnen en
ihr wohnt t
sie, Sie wohnen en

Dialecten[bewerken]

In het Duitse taalgebied kan men twee grote dialectgroepen onderscheiden. Tot het Nederduits worden onder meer volgende deeldialecten gerekend: het Bremerduits, het Westfaals en Oostfaals, het Nederfrankisch (dat tegenwoordig eerder tot de Nederlandse dialecten in Duitsland wordt gerekend), het Neder-Pruisisch en het Noord- en Oost-Fries. Anderzijds is er het Hoogduits, dat bestaat uit het Middelduits (met onder andere het Moezelfrankisch, het Rijnfrankisch, het Oosthessisch, het Middelhessisch, het Nordhessisch, het Thürings) en het Opperduits (met onder andere het Alemannisch, het Beiers en het Zuid- en Oost-Frankisch). Het grote verschil tussen deze twee grote dialectgebieden is de al dan niet doorgevoerde tweede of Hoogduitse klankverschuiving. Zo zal men in het Nederduitse dialect eerder 'pund, 'water' en 'ik' zeggen, terwijl Hoogduitse dialectsprekers eerder 'pfund', 'wasser' en 'ich' zullen zeggen.

Uitspraak[bewerken]

klinkers[bewerken]

De uitspraak van het Duits is relatief eenvoudig maar de spelling is ingewikkelder.

klinkt als 'aa' in "laag". Soms klinkt het als 'a' in "bad".
klinkt als 'oe' in "zoet".
ä 
(Umlaut, 'ae') klinkt als 'ee' in "breek" en soms als 'e' in "pet".
ö 
(Umlaut, 'oe') klinkt als 'eu' in "deur".
ü 
(Umlaut, 'ue') klinkt als 'uu' in "duur".
klinkt hetzelfde als 'ü', maar wordt ook uitgesproken als "j" in woorden van vreemde origine ("Yacht").

Een klinker wordt ook verlengd indien gevolgd door een 'h' (bijvoorbeeld hahn). De i wordt verlengd indien gevolgd door e of eh (tier)

Medeklinkers[bewerken]

Medeklinkers worden sterk uitgesproken. Ch wordt vaak zacht uitgesproken, als een "Brabantse zachte g". Bij -ach, -och en -uch mag de ch ook hard worden uitgesproken, als 'g'

Woordenboek[bewerken]

Basiswoorden[bewerken]

Gebruikelijke uitdrukkingen


OPEN 
Offen, Geöffnet
GESLOTEN 
Geschlossen
INGANG 
Eingang
UITGANG 
Ausgang
DUWEN 
Drücken
TREKKEN 
Ziehen
WC 
WC, Toilette(n)
HEREN, MANNEN 
Herren, Männer
DAMES, VROUWEN 
Damen, Frauen
VERBODEN 
Verboten
Goeiedag 
Guten Tag. (GOE-ten taak, formeel) beter: Hallo (informeel)
Hoe gaat het? 
Wie geht's? (vie geets?)
Goed, dank u. 
Gut, danke. (goet, DAN-kuh)
Hoe heet je? (formeel) 
Wie heißen Sie? (wie HAAI-sun zie?)
Mijn naam is ______ . 
Ich heiße ______ . (ieg HAAI-suh)
Aangename kennismaking (formeel) 
Nett, Sie kennen zu lernen. (net zie KEN-un tsoe LER-nun)
Alstublieft. 
Bitte (BIE-tuh)
Dankuwel 
Danke schön (DAN-kuh sheun)
Bedankt 
Danke (DAN-kuh)
Alstublieft 
Bitte schön! (BIE-tuh sheun)
Ja 
Ja (ja)
Nee 
Nein (naain)
Excuseer 
Entschuldigung. (ent-SHOEL-die-goeng)
Tot ziens 
Auf Wiedersehen. (auf VIE-dur-zeen)
I spreek geen Duits 
Ich spreche kein Deutsch (iech shpregguh kaain dojtsh)
Spreekt u Nederlands? (formeel) 
Sprechen Sie Niederländisch? (shprechun zie NIE-dur-len-diesj?)
Spreekt hier iemand Nederlands? 
Gibt es hier jemanden, der Niederländisch spricht? (giept es hier jee-MAN-dun deer NIE-dur-len-diesj shprigt?)
Help! 
Hilfe! (HIEL-fuh!)
Goeiemorgen 
Guten Morgen. (GOE-ten MOR-gun)
Goeienavond 
Guten Abend. (GOE-ten A-bunt)
Goeienacht 
Schönen Abend noch. (sheu-nen A-bunt nog)
Slaapwel 
Gute Nacht. (GOE-tuh nacht)
Ik begrijp het niet 
Ich verstehe das nicht. (iech fer-SHTEE-juh das niecht)
Waar is de WC? 
Wo ist die Toilette, bitte? (vo iest die twa-LET-uh, BIE-tuh?)
Graag gedaan 
Gerne (GER-nuh)

Bij problemen[bewerken]

Laat me met rust 
Lass / Lassen Sie mich in Ruhe . (LAS(-een zie) miech ien ROE-uh)
Raak me niet aan! 
Fass / Fassen Sie mich nicht an! (FAS(-een zie) miech niekt AAN!)
Ik bel de politie. 
Ich rufe die Polizei. (iech ROE-fuh die po-lie-TSAAI)
Politie! 
Polizei! (po-lie-TSAAI)
Stop! Dief! 
Halt! Ein Dieb! (HALT! aain DIEB!)
Ik heb jouw hulp nodig 
Ich brauche deine/Ihre Hilfe. (iech BROUW-guh daai-ne/iere HIEL-fuh)
Het is een noodgeval 
Das ist ein Notfall. (das iest aain NOOT-fal)
Ik ben verdwaald 
Ich habe mich verirrt. (iech habe miech fer-IErRT)
Ik ben mijn (rug-)zak verloren 
Ich habe meine Tasche verloren. (iech habe maai-ne TASHjE fer-LOORN)
Ik ben mijn portefeuille kwijt 
Ich habe mein Portemonnaie verloren. (iech habe maain port-moh-NEE fer-LOORN)
Ik ben ziek 
Ich bin krank. (iech bien KRANK)
Ik ben gewond 
Ich bin verletzt. (iech bien fer-LETST)
Ik heb een dokter nodig 
Ich brauche einen Arzt. (iech BROUW-ge aai-nun AaRTST)
Mag ik jouw telefoon gebruiken? 
Kann ich dein/Ihr Telefon benutzen? (kan iech daain/ier tee-lee-FOON buh-NOET-sun?)
Mag ik jouw/uw GSM gebruiken? 
Kann ich dein/Ihr Handy benutzen? (kan iech daain/ier HEN-die buh-NOET-sun?)

Cijfers[bewerken]

null (noll)
eins (aainss)
zwei (tsvaai)
drei (draai)
vier (fier)
fünf (fuunf)
sechs (zekhs)
sieben (ZIE-ben)
acht (ahkht)
neun (noyn)
10 
zehn (tseen)
11 
elf (elf)
12 
zwölf (tsvoolf)
13 
dreizehn (DREI-tseen)
14 
vierzehn (FIER-tseen)
15 
fünfzehn (FUUNF-tseen)
16 
sechzehn (ZEKH-tseen)
17 
siebzehn (ZIEP-tseen)
18 
achtzehn (ACHT-tseen)
19 
neunzehn (NOYN-tseen)
20 
zwanzig (TSVAN-tsiek)
21 
einundzwanzig (AAI-noen-tsvan-tsiek)
22 
zweiundzwanzig (TSVAAI-oen-tsvan-tsiek)
23 
dreiundzwanzig (DRAAI-oen-tsvan-tsiek)
30 
dreißig (DREI-siek)
40 
vierzig (FIER-tsiek)
50 
fünfzig (FUUNF-tsiek)
60 
sechzig (ZEK-tsiek)
70 
siebzig (ZIEP-tsiek)
80 
achtzig (AK-tsiek)
90 
neunzig (NOYN-tsiek)
100 
(ein)hundert ([aain]-HOEN-durt)
200 
zweihundert (TSVAAI-hoen-durt)
300 
dreihundert (DRAAI-hoen-durt)
1000 
(ein)tausend ([aain]-TOUW-zunt)
2000 
zweitausend (TSVAAI-touw-zunt)
1.000.000 
eine Million (aai-nuh miel-JOON)
1.000.000.000 
eine Milliarde (aai-nuh miel-JAR-duh)
1.000.000.000.000 
eine Billion (aai-nuh biel-JOON)
nummer _____ (trein, bus, enz...
Nummer/Linie _____ (NOE-mur/LIE-nie-juh)
half 
halb (halp)
de helft 
die Hälfte (die HELF-tuh)
minder 
weniger (VEE-nie-gur)
meer 
mehr (meer)

Rangtelwoorden[bewerken]

1. 
erster (er-stur)
2. 
zweiter (tsvei-tur)
3. 
dritter (dri-tur)
4. 
vierter (fier-tur)
5. 
fünfter (fuunf-tur)
20. 
zwanzigster (TSVAHN-tsikhs-tur)
100. 
(ein)hundertster ([ein]-HUN-dert-stur)
101. 
(ein)hunderterster ([ein]-HUN-dert-er-stur)

Tijdsaanduiding[bewerken]

nu 
jetzt (yetst)
later 
später (SHPEET-er)
voor 
vor (for)
ochtend 
Morgen (MOR-gen)
's ochtends 
morgens (MOR-genss)
morgenochtend 
morgen früh (MOR-gen FRUU)
namiddag 
Nachmittag (NAACH-mit-tahk)
's namiddag 
nachmittags (NAACH-mit-tahks)
avond 
Abend (AH-bent)
's avonds 
abends (AH-bents)
nacht 
Nacht (nacht)
's nachts 
nachts (nachts)

Klok[bewerken]

Eén uur 
ein Uhr (EIN oer)
Twee uur 
zwei Uhr (TSVEI oer)
Twaalf uur (middag) 
zwölf Uhr (Mittag) (TSVOOLF oer (MIT-tahk))
Eén uur in de namiddag 
dreizehn Uhr (DREI-tseen oer)
Twee uur in de namiddag 
vierzehn Uhr (FIER-tseen oer)
Middernacht 
Mitternacht (MIT-er-nacht)
_____ minu(u)te(n) 
_____ Minute(n) (mih-NOE-tuh)
_____ u(u)r(en) 
_____ Stunde(n) (SHTOEN-duh [SHTOON-den)
_____ dag(en) 
_____ Tag(e) (TAHK [TAH-guh])
_____ we(e)k(en) 
_____ Woche(n) (VOCH-uh [VOCH-en])
_____ maand(en) 
_____ Monat(e) (MOH-naht [moh-NAH-tuh])
_____ ja(a)r(en) 
_____ Jahr(e) (YAHR[-uh])
in _____ 
Im Jahr _____ (im YAHR _____)

Dagen[bewerken]

vandaag 
heute (HOY-tuh)
eergisteren 
vorgestern (for-GESS-tern)
gisteren 
gestern (GESS-tern)
morgen 
morgen (MOR-gen)
overmorgen 
übermorgen (uuber-MOR-gen)
deze week 
diese Woche (DIE-zuh VOH-chuh)
vorige week 
letzte Woche (LETS-tuh VOH-chuh)
volgende week 
nächste Woche (NEX-tuh VOH-chuh)
maandag 
Montag (MOON-taak)
dinsdag 
Dienstag (DIENS-taak)
woensdag 
Mittwoch (MIET-voch)
donderdag 
Donnerstag (DON-ers-taak)
vrijdag 
Freitag (FRAAI-taak)
zaterdag 
Samstag (ZAMS-taak)
zondag 
Sonntag (ZON-taak)

Maanden[bewerken]

januari 
Januar (YAH-noe-ahr)
februari 
Februar (FEE-broe-ahr.)
maart 
März (mehrts)
april 
April (ah-PRILL)
mei 
Mai (meej)
juni 
Juni (YOe-nie)
juli 
Juli (YOe-lie)
augustus 
August (ow-GOOST)
september 
September (zep-TEM-ber)
oktober 
Oktober (ok-TOH-ber)
november 
November (noh-VEM-ber)
december 
Dezember (dee-TSEM-ber)

Kleuren[bewerken]

zwart 
schwarz (shvahrts)
wit 
weiß (veis)
grijs 
grau (grau)
rood 
rot (roht)
blauw 
blau (blau)
geel 
gelb (gelp)
groen 
grün (gruun)
oranje 
orange (oh-RAHNGSH)
paars
purpurrot (PURR-purr-rhot), lila (LIE-lah)
roze 
rosa (ROH-zah)
bruin 
braun (brauwn)
zilver 
silber (zsil-bur)
goud 
gold (gold)
licht - 
hell- zoals in hellblau
donker - 
dunkel- (dune-kel) zoals in dunkelblau

Vervoer[bewerken]

Trein en bus[bewerken]

Hoeveel kost een ticket naar _____? 
Was kostet eine Fahrkarte nach _____? (vass KOSS-tet eigh-nuh FAHR-kahr-tuh nahkh _____?)
Een ticket naar _____, alstublieft. 
Bitte eine Fahrkarte nach _____. (BIT-tuh EIGH-nuh FAHR-kahr-tuh nahkh _____)
Naar waar gaat deze trein/bus? 
Wohin fährt dieser Zug/Bus? (voh-hin FEHRT die-zer TSOEK/BOESS?)
Waar is de trein/bus naartoe _____? 
Wo ist der Zug/Bus nach _____? (VOH ist der TSOEK/BOESS nahkh _____?)
Stopt deze trein/bus in _____? 
Hält dieser Zug/Bus in/bei_____? (helt DIE-zer TSOEK/BOESS in _____?)
Wanneer vertrekt de trein/bus naar_____ ? 
Wann fährt der Zug/Bus nach _____ ab? (VAHN FEHRT der tsoek/boess nahkh _____ ap?)
Wanneer komt de trein/bus aan in _____? 
Wann kommt dieser Zug/Bus in _____ an? (vahn KOMT die-zer TSOEK/BOESS in _____ ahn?)

Richtingen[bewerken]

Hoe kom ik in _____ ? 
Wie komme ich nach/zum/zur _____ ? (vie KOM-muh ikh nahkht/soem/tsoer _____?)
...het station? 
...zum Bahnhof? (tsoem BAHN-hohf?)
...de bushalte? 
...zur Bushaltestelle? (tsoer BOESS-hahl-tuh-shteh-luh?)
...de luchthaven? 
...zum Flughafen? (tsoem FLOEG-hah-fen?)
...het stadscentrum? 
...zur Stadtmitte? (tsoer SHTAT-mit-tuh)
...de jeugdherberg? 
...zur Jugendherberge? (tsoer YOE-gent-her-ber-guh)
...het _____ hotel? 
...zum _____ Hotel? (tsoem _____ hoh-TELL)
...het Nederlands/Belgisch/Surinaams consulaat? 
...zum der Niederländisch/Belgischen/Surinam Konsulat?
Waar zijn er veel... 
Wo gibt es viele... (?) (VOO gipt ess FIE-luh...)
...hotels? 
...Hotels? (hoh-TELLSS)
...restaurants? 
...Restaurants? (rest-oh-RAHNTS?)
...bars? (café's)
...Kneipen? (KNIGH-pen?)
...bezienswaardigheden? 
...Sehenswürdigkeiten? (ZEE-ens-vuur-dikh-keigh-ten?)
Kunt u het op de kaart aanduiden? 
Kannst du/Können Sie mir das auf der Karte zeigen? (kahnst doe/KON-en zie mier dahss auf der KAHR-tuh TSEIGH-gen?)
straat 
Straße (SHTRAH-suh)
links 
links (links)
rechts 
rechts (rechts)
Naar links draaien. 
Links abbiegen. (LINKS AHP-bie-gen)
Naar rechts draaien. 
Rechts abbiegen. (RECHTS AHP-bie-gen)
rechtdoor 
geradeaus (guh-RAH-duh-AUWSS)
richting _____ 
Richtung _____ (RIKH-toeng)
naast de _____ 
nach dem(m)/der(f)/dem(n) _____ (nahkh dem/der/dem _____)
voor de _____ 
vor dem(m)/der(f)/dem(n) _____ (for dem/der/dem _____)
Let op de/het _____. 
Achte/Achten Sie auf den(m)/die(f)/das(n) _____. (AHKH-tuh/AHKH-ten zie auf den/die/dahss _____)
kruispunt 
Kreuzung (KROY-tsoeng)
noord 
Norden (NOR-den)
zuid 
Süden (ZUU-den)
oost 
Osten (OST-en)
west 
Westen (VEST-en)
bergop 
bergauf (berk-OUF)
bergaf
bergab (berk-AHP)
Taxi! 
Taxi! (TAHK-sie)
Breng me naar _____, alstublieft. 
Bitte bringen Sie mich zum/zur/nach _____. (BIT-tuh BRING-en zie mikh tsoem/tsoer/nahkh _____)
Hoeveel kost het om naar _____ te rijden? 
Wie viel kostet es bis zum/zur/nach _____? (vie fiel KOSS-tet ess biss tsoem/tsoer/nahkh _____?)
Breng me naar daar, alstublieft. 
Bringen Sie mich bitte dahin. (BRING-en zie mikh BIT-tuh dah-HIN)

Slapen[bewerken]

Zijn er nog kamers beschikbaar? 
Sind noch Zimmer frei? (ZINT nokh TSIM-mer FREIGH?)
Hoeveel kost een kamer voor één/twee personen? 
Wieviel kostet ein Einzelzimmer/Doppelzimmer? (vie-fiel KOSS-tet eighn EIGHN-tsel-tsim-mer/DOP-pel-tsim-mer?)
Beschikt de kamer over... 
Hat das Zimmer... (HAHT dahss TSIM-mer...)
...lakens? 
...Bettlaken? (...BET-lahk-en?)
...een WC?
...eine Toilette? (eigh-nuh to-ah-LET-tuh?)
...een badkamer? 
...ein Badezimmer? (eigh-n BAH-duh-tsim-er?)
...een telefoon? 
...ein Telefon? (eighn tell-eh-FOHN?)
...een TV? 
...einen Fernseher? (eigh-nen FERN-zee-er?)
Mag ik de kamer eerst even zien? 
Kann ich das Zimmer erstmal sehen? (kahn ikh dahs TSIM-mer erst-mahl Zee-en?)
Heeft u niets rustiger? 
Haben Sie etwas Ruhigeres? (HAH-ben zie ET-vahs ROE-ig-er-ess?)
...groter? 
...größeres? (GROO-ser-ess?)
...goedkoper? 
...billigeres? (BILL-ig-er-ess?)
OK, Ik neem ze. 
OK, ich nehme es. (OH-kee, ikh NEE-muh ess)
Ik blijf _____ nacht(en). 
Ich bleibe eine Nacht (_____ Nächt(e)). (ihk BLEIGH-buh EIGH-nuh nahkht/_____ NEKH-tuh)
Kunt u mij een ander hotel aanbevelen? 
Können Sie mir ein anderes Hotel empfehlen? (KUN-en zie mier eign AHN-der-ess ho-TELL emp-FEE-len?)
Heeft u een kluis/safe? 
Haben Sie einen Safe? (HAH-ben zie EIGH-nen SEEF?)
...kastjes? 
...Schließfächer? (SHLIESS-fekh-er?)
Is het ontbijt/diner inbegrepen? 
Ist Frühstück/Abendessen inklusive? (ist FRUU-shtuuk/AH-bent-ess-en in-kloo-ZIE-vuh?)
Om hoe laat is het ontbijt/diner? 
Wann gibt es Frühstück/Abendessen? (VAHN gipt ess FRUU-shtuuk/AH-bent-ess-en?)
Reinig mijn kamer, alstublieft. 
Würden sie bitte mein Zimmer saubermachen? (VUUR-den zie BIT-tuh meign TSIM-mer ZOW-ber-MAHKH-en?)
Kunt u me wakker maken om _____ uur? 
Können Sie mich um _____ Uhr wecken? (KUN-en zie mikh oem _____ oer VECK-en?)
Ik wil uitchecken. 
Ich möchte auschecken. (ikh MOEKH-tuh ows-check-en)

Geld[bewerken]

Kan ik met een kredietkaart betalen? 
Kann ich mit Kreditkarte zahlen? (kahn ikh mit kree-DIET-kahr-tuh TSAH-len?)
Kunt u geld voor me wisselen? 
Können Sie mir Geld wechseln? (KUN-en zie mier GELT WEKHS-eln?)
Waar kan ik geld wisselen? 
Wo kann ich Geld wechseln? (voh kahn ikh GELT WEKHS-eln?)
Kan ik hier travellers checques inwisselen? 
Kann ich hier Travellerschecks einlösen? (kahn ikh hier TREV-el-er-shecks EIGHN-leu-zen?)
Wat is de wisselkoers? 
Wie ist der Wechselkurs? (iee ist der VEK-sel-koerss?)
Waar is er een geldautomaat? 
Wo ist ein Geldautomat? (voh ist eign GELT-ow-toh-maht?)

Eten[bewerken]

Een tafel voor één/twee personen, alstublieft. 
Ein Tisch für eine Person/zwei Personen, bitte. (eighn TISH fuur EIGHN-uh per-ZOHN/TSVEIGH per-ZOHN-nen, BIT-tuh)
Mag ik de menukaart even zien? 
Ich hätte gerne die Speisekarte. (ikh HET-tuh GER-nuh die SHPEIGH-zuh-kahr-tuh)
Is er een specialiteit van het huis? 
Gibt es eine Spezialität des Hauses? (gipt ess eigh-nuh shpeh-tsjah-lie-TAAJT dess HOUW-zess?)
Is er een streekgerecht? 
Gibt es eine Spezialität aus dieser Gegend? (gipt ess eigh-nuh shpeh-tsjah-lie-TAAJT owss DIE-zer GEE-gent?)
Ik ben vegetariër. 
Ich bin Vegetarier. (ikh bin vee-geej-TAH-rie-er)
Ik eet geen varkensvlees. 
Ich esse kein Schweinefleisch. (ikh ESS-uh keign SHVEIGN-uh-fleighsh)
Ik eet alleen koosjer. 
Ich esse nur koscher. (ikh ESS-uh noer KOH-sher)
à la carte 
a la carte (ah lah KAHRT)
ontbijt 
Frühstück (FRUU-shtuuk)
lunch 
Mittagessen (mit-TAHK-ess-en)
koffie 
Kaffee (kah-FEEJ)
diner 
Abendessen or Abendbrot (AH-bent-ess-en or AH-bent-broht)
Ik wil graag _____. 
Ich möchte _____. (ikh MERKH-tuh)
kip 
Huhn (hoen)
rundsvlees 
Rindfleisch (RINT-fleighsh)
vis 
Fisch (fish)
ham 
Schinken (SHINK-en)
worst 
Wurst (voerst)
kaas 
Käse (KEE-zuh)
eieren 
Eier (EIGH-er)
salade 
Salat (zah-LAHT)
(verse) groenten 
(frisches) Gemüse ([FRISH-ess] guh-MOE-zuh)
(vers) fruit 
(frisches) Obst ([FRISH-ess] OWPST)
brood 
Brot (broht)
toast 
Toast (tohst)
noedels 
Nudeln (NOE-deln)
rijst 
Reis (reighss)
bonen 
Bohnen (BOH-nen)
Mag ik een glas _____? 
Könnte ich ein Glas _____ haben? (KUN-tuh ikh eighn glahss _____ HAH-ben?)
Mag ik een kopje _____? 
Könnte ich eine Tasse _____ haben? (KUN-tuh ikh EIGH-nuh TAH-suh _____ HAH-ben?)
Mag ik een fles _____? 
Könnte ich eine Flasche _____ haben? (KUN-tuh ikh EIGH-nuh FLAH-shuh _____ HAH-ben?)
koffie 
Kaffee (kah-FEE)
thee 
Tee (tee)
sap 
Saft (zahft)
water 
Mineralwasser of Sprudel(-wasser) (mie-ne-RAHL-wah-ser of SHPROE-del-[wah-ser])
bier 
Bier
rode/witte wijn
Rot-/Weiß-wein (ROHT-/VEIGHSS-veighn)
Mag ik wat _____? 
Kann ich etwas _____ haben? (kahn ikh ET-vahss _____ HAH-ben?)
zout 
Salz (zahlts)
peper 
Pfeffer (PFEF-er)
boter 
Butter (BOE-ter)
Ober! 
Entschuldigung! (ent-SHOEL-dih-goeng)
Ik ben klaar. 
Ich bin fertig. (ikh bin FER-tikh)
Het was heerlijk. 
Es war hervorragend. (ess vahr her-FOR-rah-gent)
De rekening, alstublieft. 
Zahlen, bitte. (TSAH-len, BIT-tuh)

Uitgaan[bewerken]

Serveert u alcohol? 
Haben Sie alkoholische Getränke? (HAH-ben zie ahl-koh-HOHL-ish-uh guh-TRENG-kuh?)
Een biertje/twee biertjes, alstublieft. 
Ein Bier/zwei Bier, bitte. (eighn bier/tsveigh bier, BIT-tuh)
Een glas rode/witte wijn, alstublieft. 
Ein Glas Rot-/Weißwein, bitte. (eighn glahss ROHT-/VEIGHSS-veign, BIT-tuh)
Een halve liter, alstublieft 
Eine Halbe, bitte. (EIGH-nuh HAHL-buh, BIT-tuh)
Een fles, alstublieft. 
Eine Flasche, bitte. (EIGH-nuh FLAH-shuh, BIT-tuh)
whisky 
Whiskey (VIS-kie)
vodka 
Wodka (VOT-kah)
rum 
Rum (ROEM)
water 
Mineralwasser (Mie-ne-RAWL-vas-ser)
sinaasappelsap 
Orangensaft (oh-RAHN-gehn-zahft)
cola 
Cola (KOH-lah)
Nog eentje, alstublieft. 
Noch einen(m)/eine(f)/eins(n), bitte. (nokh EIGH-nen/EIGH-nuh/EIGHNS, BIT-tuh)
Nog een rondje, alstublieft. 
Noch eine Runde, bitte. (nokh EIGH-nuh ROEN-duh, BIT-tuh)
Wanneer sluit u? 
Wann schließen Sie? (vahn SHLIE-sen zie?)

Winkelen[bewerken]

Hebt u dit in mijn maat? 
Haben Sie das in meiner Größe? (HAH-ben zie dahs in MEIGH-ner GROO-suh?)
Hoeveel kost dat? 
Was kostet das? (vahss KOSS-tet dahss?)
Dat is te duur. 
Das ist zu teuer. (dahss ist tsoe TAU-er)
Wilt u het voor _____verkopen? 
Würden Sie es für ___ verkaufen? (VUUR-den zie as foer _____ ver-COW-fan?)
duur 
teuer (TAU-er)
goedkoop 
billig / günstig (BILL-ikh/GUUN-stikh)
Dat kan ik mij niet veroorloven. 
Ich kann es mir nicht leisten. (ikh kahn ess mier nikth LEIGH-sten)
Ik wil het niet. 
Ich will es nicht. (ikh vill ess nikht)
Ik weet dat het de normale prijs niet is. 
Ich weiß, dass das nicht der normale Preis ist. (ikh veighss, dahss dahss nikht der nor-MAH-luh PREIGHSS ist)
U bedriegt me. 
Sie wollen mich abzocken. (zie VOLL-en mikh AHP-tsock-en)
Ik ben niet geinteresseerd. 
Ich habe kein Interesse. (ikh hah-buh keighn in-ter-ES-se)
OK, ik neem het. 
OK, ich nehme es. (oh-keej, ikh NEE-muh ess)
Krijg ik een zak? 
Kann ich eine Tüte haben? (kahn ikh EIGH-nuh TOE-tuh HAH-ben?)
Ik heb... nodig 
Ich brauche... (ikh BRAUW-khuh...)
...tandpasta. 
...Zahnpaste. (TSAHN-pahs-teh)
...een tandenborstel. 
...eine Zahnbürste. (EIGH-nuh TSAHN-boer-stuh)
...tampons. 
...Tampons. (TAHM-pohns')
...zeep. 
...Seife. (ZEIGH-fuh)
...shampoo. 
...Shampoo. (SHAHM-poe)
...een scheerapparaat. 
...einen Rasierer. (EIGH-nen rah-ZIER-er)
...scheermesjes
...eine Rasierklinge. (EIGH-ne rah-ZIER-kling-uh)
...een regenscherm (paraplu). 
...einen Regenschirm. (EIGH-nen REE-gen-shierm)
...zonnemelk. 
...Sonnencreme. (ZON-nen-kreem)
...een postkaart. 
...eine Postkarte. (EIGH-nuh POST-kahr-tuh)
...postzegels. 
...Briefmarken. (BRIEF-mahr-ken)
...batterijen. 
...Batterien. (baht-uh-RIE-en)
...schrijfpapier. 
...Schreibpapier. (SHREIGHP-pah-pier)
...een pen. 
...einen Stift. (igh-nen SHTIFT)
...Nederlandstalige boeken. 
...Niederländischsprachige Bücher. (NIE-der-lendisj-shprahkh-ig-uh BOEKH-er)
...Nederlandstalige tijdschriften. 
...Niederländischsprachige Zeitschriften. (NIE-der-lendisj-shprahkh-ig-uh TSEIGHT-shrift-en)
...een Nederlandstalige krant. 
...eine Niederländischsprachige Zeitung. (EIGH-nuh NIE-der-lendisj-shprahkh-ig-uh TSEIGH-toeng)
...een Nederlands-Duits woordenboek. 
...ein Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch. (eighn NIE-der-lendisj-DAUTSJG woor-ter-boekh)

Rijden[bewerken]

Ik wil een auto huren. 
Ich möchte ein Auto mieten. (ikh MUK-tuh aain AUW-toh mie-ten)
Kan ik het laten verzekeren? 
Kann ich es versichern lassen? (kahn ikh es fer-ZIKH-ern LAH-sen?)
stop 
stop (SHTOP)
Eénrichtingsstraat 
Einbahnstraße (AAIN-bahn-shtrah-suh)
voorrang verlenen
Vorfahrt gewähren (FOR-fahrt guh-VEER-ren)
uitrit 
Ausfahrt (AUWS-fahrt)
parkeerverbod 
Parkverbot (PAHRK-fer-boht)
snelheidslimiet 
Geschwindigkeitsbeschränkung (guh-SHVIN-die-kaaits-buh-SHRENG-koeng)
tankstation 
Tankstelle (TAHNK-shtel-luh)
benzine
Benzin (ben-TSIEN)
loodvrije benzine
Benzin bleifrei (ben-TSIEN blaai-FRAAI)
diesel 
Diesel (DIE-zel)
tol 
Maut (MAUWT)

Bij problemen[bewerken]

Ik heb niets verkeerds gedaan. 
Ich habe nichts getan. (ish HAH-buh nikhts ge-TAHN)
Het was een misverstand. 
Das war ein Missverständnis. (dahs vahr eighn MISS-fer-shtend-niss)
Waar brengt u me naartoe? 
Wohin bringen Sie mich? (VOH-hin BRING-en zie mikh?)
Ben ik gearresteerd? 
Bin ich verhaftet? (bin ikh fer-HAHF-tet?)

Externe links[bewerken]

Varianten

Handelingen

Docents

In andere talen

other sites